ster

Vereniging Orde der Verdraagzamen

een esoterisch – magische bibliotheek

  1. De Orde (der Verdraagzamen)
  2. De kracht en de werking van het denken
  3. Esoterische lering over wijsheid en kracht
  4. De Griekse mysteriën
  5. Het Schone Woord (Omhoog)
© Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 1 DE ORDE DE GRIEKSE MYSTERIËN 14 juni 1957 Goeden avond vrienden, Aan het begin van deze avond moet ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend, of onfeilbaar zijn. Wij hopen, dat u daar goed rekening mee wilt houden en dus zelf na zult denken over wat wij brengen. Mijn onderwerp voor deze avond - misschien een klein beetje ongewoon voor u - is deze keer: De Orde. Zo enkele keren in het jaar menen wij ons te mogen permitteren enkele minuten aan de Orde en haar werk te wijden. De Orde der Verdraagzamen is in de loop der eeuwen gegroeid tot een gemeenschap, die buiten alle godsdienst staat. Wij kunnen n.l. niet een bepaald geloof accepteren. Niet omdat een geloof onjuist zou zijn, maar omdat elk geloof in ons de neiging wekt om onszelf op de borst kloppend, anderen in onze richting te dwingen. Dat is nu juist hetgeen, waaraan wij niet geloven. Wij geloven niet, dat je een mens kunt dwingen om jouw weg te gaan. Wij menen ook, dat het onmogelijk is, iemand erop te wijzen, dat dit de enige mogelijkheid is. Er zijn zoveel grootse mogelijkheden in de schepping... Wie van ons kan zich vermeten te zeggen welke weg de ware en de juiste is? Men kan zich natuurlijk beroepen op een openbaring, op een Bijbel, op een Koran, op een Bhagavad-gita, op de geschriften van Boeddha, van Confucius en van anderen. Uiteindelijk zullen wij altijd weer stoten op deze éne moeilijke grens: het geloof, de aanvaarding, die noodzakelijk zijn om dergelijke dingen tot werkelijke waardemeter van stoffelijke en geestelijke vooruitgang te maken. Kunnen wij nu aannemen, dat er maar één weg is naar God? In feite ja. Wij geloven werkelijk, dat er maar één weg bestaat naar God, maar wij geloven ook dat de Schepper Zelf die weg voor ons heeft uitgestippeld, dat Hij die voor ons heeft neergelegd, niet in een paar openbaringen, niet in een of andere wet of leer, maar in het leven zelf. Het is je misschien moeilijk om je verdraagzaamheid van deze soort voor te stellen; om je te realiseren, dat, zelfs wanneer men je een dwaas noemt wegens de weg die je volgt, je toch nog niet het recht hebt om anderen voor te werpen, dat zij... partijdig zijn of dat zij de dwazen zijn. Alle leven, alle bestaan, in welke vorm ook, in welke wereld of toestand is o.i. uit God geboren. Wij kunnen daaraan niet ontkomen. Wij leven erin, wij zijn er deel van. Zou het mogelijk zijn dat slechts een bepaald deel van het geschapene tot God terugkeert? Naar onze mening niet. Het is juist daarom, dat wij ons van elke oordeel onthouden. Kunnen wij ons voorstellen, dat goed en kwaad gefixeerde waarden zijn? Neen, wederom niet. Want alle goed en kwaad bestaan in God. Zonder God kan ook het kwaad niet bestaan. Wat uit God voorkomt, kan niet kwaad zijn. Behalve voor ons met ons beperkte weten. Zo mogen wij ook niet oordelen en veroordelen, wanneer anderen iets kwaads doen, vanuit ons standpunt. Een zeer moeilijke opdracht, die over het algemeen niet gerealiseerd wordt, noch op aarde, noch ge- heel bij ons in de sferen. Dit neemt echter niet weg, dat wij toch kunnen streven in een richting van zelf-aanvaarden van het leven, zijn bewustzijn en zijn verantwoording. Onze Orde probeert dit dan ook te doen. Zij probeert alle dingen te begrijpen, alle kanten te zien. Waar een gezichtspunt niet vaak genoeg onder de aandacht komt, acht zij het haar recht en voorrecht, aan degenen die luisteren willen, juist ook dìt standpunt bekend te maken. Juist uit dit gezichtspunt de materie, die besproken wordt, te belichten. Wij zijn geen crackpots (exentriekeling met bizarre ideeën; Red.), geen dwazen. Integendeel. Wij geloven in een realiteit, in een werkelijkheid, zoals die voor u hier, nu, op deze wereld bestaat, zoals zij voor u en voor onze sfeer bestaat; een werkelijkheid, die onveranderlijk is. Ook al menen wij, dwazen, dat wij er wel verandering in kunnen brengen. Wij menen, dat ons eigen zien en denken, ons eigen geloven en werken bepaalt, hoe wij een deel van de realiteit voor onszelf kunnen realiseren en tot werkelijkheid kunnen maken. Juist daardoor komt ons streven toch in een bepaalde baan, in een bepaalde richting. Men heeft wel eens gezegd: "Jullie zouden door wat anders te spreken, - wat meer wijding, wat meer zalven, - meer © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 2 mensen trekken. Jullie zouden een veel groter publiek kunnen bereiken. Jullie zouden rekening moeten houden met de verschillende wetenschappelijke en morele fetisjen, die een mens nu eenmaal heeft, en daar angstvallig voor weg loopt, dan zou het ongetwijfeld beter gaan." Onze Orde heeft gezegd: "Neen, wat wij willen vertegenwoordigen, is de waarheid, zoals wij die zien. Onze waarheid, niet dwingend!" Die waarheid kunnen wij in een paar woorden uitdrukken. Wij geloven, dat er geen zuiver materiële waarden bestaan. Alle dingen maken deel uit van dezelfde eeuwigheid en hebben daarin een voortdurende betekenis, zolang als God het zijnde in stand houdt. Wij zijn ervan overtuigd, dat wij allen één zijn in God en menen dat wij zo moeten handelen, dat deze eenheid steeds weer tot uiting wordt gebracht. Wij kunnen niet alleen staan. Zelfs wanneer de mensheid zou zeggen: wij zijn allen broeders en zusters en zij zou de rest van het Al buiten beschouwing laten…, zonder dat Al kunnen zij niet bestaan, alles is afhankelijk van de rest, niets kan zijn "Zijn", zijn bewustzijn, zijn bewustwording, zijn bestaan zonder het andere volbrengen. Het gaat hier echter niet om de persoonlijkheid, vandaar dat het derde punt zegt: de persoonlijkheid en het persoonlijk beleven zijn onbelangrijk, terwijl daarentegen de wording van het geheel van het grootste belang is. Elke poging om het "Ik" te veredelen, betekent een veredeling van de gemeenschap. Elke dienst aan de gemeenschap bewezen is uiteindelijk een dienst aan het "Ik". Dan geloven wij verder, dat je de naastenliefde wel kunt prediken en moeilijk, kunt beleven. Zelfs een mens, die in staat is vol van mensenliefde elke mens tegemoet te treden, zal deze liefde niet kunnen koesteren voor een bloedzuiger of insect. Toch zal krachtens de Schepping dezelfde liefde hier noodzakelijk zijn. Naastenliefde is dan ook langzamerhand geworden tot een begrip, dat misbruikt wordt en daarom hebben wij de verdraagzaamheid genomen. Verdraagzaamheid betekent, dat wij - begrijpen of niet - alle andere leven naast ons dulden, dat wij aan alle leven, alle Zijn een vrijheid tot eigen ontwikkeling gunnen. Verdraagzaamheid houdt ook in, dat wij aan onszelf werken om door onszelf voor de gemeenschap iets te bereiken. U zult zeggen: "wat is dat een zware kost op zo een zomerse avond. Zijn wij nu daarvoor gekomen?" Vergeet niet: zo een zomerse avond gaat voorbij en er komt er nog wel een. Deze dingen echter moet je begrijpen. Eén keer, één keer werkelijk goed. Dan heb je daarmee een basis gevonden voor het werkelijke leven. De idealist, die een groot visioen ziet, blijft voortspreken en voortdreunen, hij blijft anderen steeds weer aanmoedigen zíjn weg te volgen. Tot het ogenblik, dat ook zijn ideaal niet verwerklijkbaar is, dat de mensen anders zijn dan hij gedacht heeft. En dan gooit hij het erbij neer. Dan zegt hij: "bah, wat moet ik daar nu mee beginnen?" De gelovige gelooft en blijft geloven tot een ogenblik het hem te zwaar wordt. Dan komt hij in opstand en dan vervloekt hij zijn God: "want dit is te veel". Men stelt steeds een persoonlijke relatie. Een persoonlijke relatie, die men heeft met idealen, het geloof, dat men kent, enz. Onze verdraagzaamheid probeert ook dit te veranderen. Wij zullen daarin niet gemakkelijk slagen. Het kost ons voor onszelf ook veel moeite. Wat kunnen wij met een paar woorden bij u tot stand brengen? En toch is deze waarheid voor ons de grootste. Ieder moet zijn eigen weg zoeken, zijn eigen weg gaan. Ieder moet werken aan zichzelf en niet aan anderen. Een ieder moet trachten met zoveel mogelijk begrip voor zichzelf zowel als voor anderen, levensmogelijkheden te scheppen en te behouden. Wij geloven, dat haat vernietigend is. Niet omdat het op zich misschien een kwade kracht is, die de wereld zal verderven (te gronde richten; Red.). Haat in een mens (betekent), verwerpen van het leven en van de wereld. Dat betekent een opdrogen van de krachten, die je in jezelf draagt. Het leven zelf aanvaarden, niet voor jezelf alleen, maar voor de hele wereld, voor alle Zijn, dat zien wij als een grote noodzaak, als dè grote waarheid. Nu kan men zeggen: "maar wanneer ik begin verdraagzaam te zijn tegenover de wereld, zal die wereld dat dan ook tegenover mij zijn?" Dat weet u niet. Waarschijnlijk is zelfs, dat zij dit - althans in het begin - niet is. Maar ergens moet een begin zijn, ergens moet een persoon zijn, ergens een mens, een wezen, een kleine groep misschien, die begint te werken aan zichzelf en de wereld verdraagt om zo die wereld (het) mogelijk te maken uiteindelijk zichzelf te worden. Ik wilde dat ik u kon laten zien, hoe grote krachten wij op het ogenblik, in samenwerking met veel andere groepen, aan uw eigen wereld geven. Hoe wij alles doen om in die wereld vrede, naasteliefde, verdraagzaamheid tot werking en tot uiting te brengen. Wat is het antwoord dat die wereld geeft? Verdraagzaamheid ziet men als zelfvernietigend. Men wil wel veel accepteren, zolang men niet wordt getroffen. Naastenliefde ziet men als iets, wat je gebruiken kunt om © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 3 anderen, die rampzalig zijn, te helpen, wanneer zij je niets doen, maar wanneer iemand je bedreigt, dan moet je ze met een ijzeren vuist verpletteren. Zij geloven in de waarheid, maar zij menen, dat het beter is om een leugen uit te spreken, dan door die waarheid voor zichzelf of eigen volk, bepaalde onaangenaamheden tot stand te brengen. Die wereld moet veranderen, dat kunnen wij niet doen. En ook u kunt dat niet. Laten wij dat goed onthouden. Wij kunnen geen wereld veranderen, maar wij kunnen wel trachten in die wereld een kern van rust te scheppen. Weet u, wanneer er gesproken wordt over uitverkorenen, die gered zullen worden met het mythisch-magisch getal 144.000, dan denk ik vaak aan een wervelstorm, een cycloon. Dan kan ik mij voorstellen, dat het geweld van die wereld alles overspoelt, maar dat in de cycloon zelf een zuil is van stilte. Zo zou ik de verdraagzaamheid willen zien in de wereld. Zij kan niet op zichzelf een kracht zijn, zij kan ook die wereld niet veranderen, maar zij kan een ogenblik van verademing scheppen in de stormen, die nu eenmaal het noodlot schijnen te zijn van al het geschapene. Meer wensen wij niet eens. Wij wensen alleen maar de mensen wat vrede te brengen, wat geluk, wat aanpassing in hun eigen leven. Wij wensen alleen maar zelf intenser één te worden met die mensheid en die wereld. Zo spreken wij dan, jaar in jaar uit, door vele verschillende spreekbuizen, werken wij met inspiratie en steeds weer roepen wij de wereld toe: "wees verdraagzaam, leer de dingen zien, leer ze begrijpen". Wij spreken over duizend en één dingen, maar steeds weer staat op de achtergrond dezelfde gedachte: aanvaarding, verdraagzaamheid, een je-zelf-durven-zijn zonder daarom, meer dan nodig, je te verzetten tegen anderen of de gedachten van anderen. Wij geloven voortdurend en altijd weer te moeten werken voor u, omdat wij zonder dit werken voor u, zelf niet zijn. Hoe dit alles zo gekomen is? Wij hebben er al meer over gesproken. Het is begonnen met wat priesters en wijsgeren. Een paar mensen, gevlucht misschien voor de samenleving. Zij kwamen in onze wereld terecht en zij zochten naar een uitweg uit hun eigen moeilijkheden, hun innerlijke strijd en verdeeldheid. Zij zochten naar een mogelijkheid om de wereld te accepteren, zonder ook maar een deel ervan werkelijk te verwerpen. Zij zochten naar een methode om een organisch geheel te ervaren, in plaats van een leven, dat in brokstukken uiteen ligt. Dezen zijn begonnen. Het begin van de Orde. Anderen hebben zich erbij gevoegd. Langzaam maar zeker is het een groep geworden, die misschien de meest perfecte democratie kent, die men zich voor kan stellen. Bij ons is een ieder, die de nood kent, - dus de behoefte, plus een impuls, die uit gedachtegangen van het geheel kunnen voortvloeien -, leider, zolang als zijn behoefte duurt. Ieder kan een beroep doen op de gehele groep. Ieder kan haar regeren, wanneer er een noodzaak is. Prioriteiten worden erkend. Er is geen werkelijk bestuur aan onze kant. Aan de andere kant hebben wij wel degelijk een leiding. Want je weet immers, wanneer iemand wijzer is dan jezelf bent, en wanneer je dat nu eenmaal weet, dan accepteer je, wat hij zegt. Dan denk je erover na. Je kunt er je protesten tegen uiten. Haar je moet het toch aanvaarden, want waar je zelf niet redelijk na kunt denken, kan een ander het wel. Zo is bij ons bewustzijn en prestatie de maatstaf, die leiding geeft. Hierdoor zijn wij gekomen tot een organisatorische vorm, die zeer los is. Ook op aarde vindt u, zelfs in de weeën van het verenigingsleven, toch nog iets van deze losheid terug. Het is hier en daar nodig een vaste hand te gebruiken, een streep te trekken: hier is de grens. Ondanks dat proberen wij steeds weer met iedereen rekening te houden, proberen wij met iedereen, altijd weer, rekening te houden, opdat ieder meer zal krijgen, dan hij rechtens zou kunnen verlangen; dat ieder mee kan werken aan dit werk, intenser, dan hij misschien zelf mogelijk acht. Overdenkt u dat eens. Stelt u zich dit niet voor als een kleine vereniging, of een kleine groep. Op aarde bent u dat natuurlijk. Stelt u het zich voor als een wijze van leven, een methode van bestaan, die door eeuwen heen haar belangrijkheid steeds sterker heeft getoond. Zie het als een mogelijkheid voor uzelf om innerlijke vrede te verwerven. Als een mogelijkheid voor de wereld om nu eens tot een verwerkelijking van idealen te komen, niet door onderdrukking van anderen, maar door het zuiver dienen van de gemeenschap. Zie dit als een eerlijk en oprecht proberen om alle krachten, waar dan ook, samen te voegen in één gemeenschappelijk erkennen van een Goddelijke Wil, waarbij elk zijn eigen plaats heeft, zijn eigen taak en ieder ongetwijfeld naar eigen inzichten die taak zal helpen volbrengen. Dan weet u, wat de Orde der Verdraagzamen is, maar dan weet u meer dan dat. Dan weet u ook misschien, zij het nog slechts schetsmatig en wat schimmig, wat het leven zelf is: een perfecte samenwerking, - niet door het individu te overzien -, tussen ontelbare werelden in grote en kleine kosmos. In samenwerking van ontelbare persoonlijkheden in zeer verschillende toestanden, die © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 4 allen tesamen toch niets meer of minder zijn dan de openbari ng en uiting van de volmaaktheid. Wanneer u vragen hebt, over hetgene ik hier naar voren heb gebracht, wil ik u gaarne verder te woord staan; of vindt u, dat er weinig over te vragen valt? Ik eigenlijk ook. Daar kun je eigenlijk beter alleen maar over denken. Dat kunnen wij hier gezamenlijk moeilijk hardop gaan doen en daarom meen ik, dat het verstandiger is het woord over te geven aan de volgende spreker. Ik dank u dan ook voor uw welwillende aandacht. DE KRACHT EN DE WERKING VAN HET DENKEN Goedenavond vrienden, Als tweede onderwerp is een onderwerp naar uw eigen keuze. Welk zal dit voor deze avond zijn? Reactie: De kracht en de werking van het denken. Denken moeten wij in de eerste plaats splitsen in stoffelijk denken en geestelijk denken. Het stoffelijk denken bestaat uit een reactie, die door passerende neurostromen - iets, wat gelijk komt met electriciteit - een buitengewoon groot aantal verschillende combinaties kan maken, waarbij reeksen van deze reacties door cellen, - herinneringsbeelden en referentiebeelden, plus ervaringsvaststellingen betekenen. Het wezen van een dergelijk denken kan gesteld worden in de eerste plaats automatisch te zijn. De selectiviteit van de gedachten berust zeer vaak eerder op de ligging van de zenuwkanalen en gedachtensporen, dan op de vrije wil van de denker. Hieruit vloeit voort, dat het wezen van het stoffelijk denken mag worden geacht dierlijk te zijn. Het kan dan gesplitst worden in het bewust en onbewust denken, waarbij het bewuste denken de onmiddellijke realisatie met reactiemogelijkheid geeft en alle sporen, die tot de reactie leiden, bekend zijn. Dus de activering daarvan is kenbaar geworden voor het individu. Het onbewust denken laat veelal de verschillende tussenschakels buiten beschouwing, daar deze, hetzij niet sterk genoeg geactiveerd waren, dan wel onbetekenend, ook wel niet gewenst waren. Hierbij is het eindresultaat meestal in het bewust stoffelijk denken merkbaar. Daarnaast kennen wij het geestelijk denken. Het geestelijk denken ligt, anders dan het stoffelijk denken, hoofdzakelijk op een emotioneel vlak. Om misverstanden te voorkomen wil ik dit even verduidelijken. Onder het emotioneel denken van de geest verstaan wij het feit, dat zij niet op prikkels van bv. visuele of auditieve aard reageert, maar wel op toestanden, die in het "Ik" een bepaalde reactie wekken. Deze bepaalde reactie is gelijktijdig een beleving en een doorvoelen van deze invloed. Een grote reeks van deze ervaringen zijn in de geest in de loop der tijden vastgelegd. Zij reageert dus in de eerste plaats dus door beleven. Zij kan echter, iets wat met de mens zelden het geval is, het totaal van de in haar levende reactiemogelijkheden t.o.v. een prikkel (ervaren/ beleven?). Zo is haar keuze duidelijker, zelfstandiger, reëler dan bij het stoffelijk denken alleen mogelijk. Het denken van stof en geest kan elkaar raken. Dit gebeurt dan meestal in het gebied van het zogenaamde onbewuste, waar dus niet onmiddellijk de geestelijke invloed met haar gevoelens wordt verwerkt als zodanig, maar bepaalde, niet gerealiseerde gedachtekanalen worden geprikkeld en zo denkbeelden verschijnen, waarvan de oorsprong niet geheel duidelijk is, evenals lichamelijke reacties kunnen ontstaan, die men later wel kan rationaliseren, maar die toch niet rationeel zijn op het ogenblik volgens het denken. Het wezen van de gedachte kan dus kort worden omschreven als volgt: Denken is een contact hebben met de buitenwereld, daardoor deze wereld in jezelf herkennen, realiseren, een werking in jezelf tot stand brengen, die in de buitenwereld kenbaar wordt. Als zodanig kan verder worden gesteld, dat de gedachte te allen tijde in beide gebieden werkzaam is. Elke stoffelijke gedachte zal, tenzij zuiver materiëel en zonder emotionele inhoud, haar weerklank in het geestelijk denken vinden. Elk geestelijk denken vindt zijn weerklank in het onbewust delen van het stoffelijk denken. Hierdoor worden meerdere gebieden gelijktijdig bestreken. In de eerste plaats de zuiver stoffelijke uitwerkingen door middel van lichamelijke handelingen en reacties. In de tweede plaats, het verwerken van invloeden, die als gedachte stoffelijk worden uitgestraald. De neurotische krachten, die in de grote breincellen werken, nemen de gestalte aan van een magnetisch veldverwekker van electrische stromen, waardoor een inductie van denken mogelijk © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 5 wordt bij anderen. Zo kan de zuiver stoffelijke gedachte voor anderen kenbaar worden en in anderen al dan niet bepaalde reacties veroorzaken. Verder beheerst dit denken bovendien een gebied van fijne materie, waaronder vallen het zogenaamd mentaal en astraal gebied. In deze gebieden kan niet worden gesproken over werkelijke stof, maar wel over velden of gebieden, waarin straling buitengewoon belangrijk is. Een ieder, die een geest heeft, of voertuigen bezit van deze geaardheid, is voor deze straling buitengewoon ontvankelijk. De reactie van deze lichamen of gebieden is dan ook voor veel uitingen van massa-hypnose, massa-suggestie, massa-hysterie aansprakelijk. Daarboven ligt het geestelijk denken. Dit werkt in zijn eigen sfeer. Het kan zich uiten, zoals de geest zich uit, namelijk door middel van de kracht die in de geest besloten ligt. Deze moet worden gezien als een in zichzelf besloten kracht, die a.h.w. door osmose krachten uit de omgeving kan putten, maar omgekeerd deze, betrekkelijk scherp geconcentreerd, weer gericht in de buiten- wereld af kan geven. De geest, die op een dergelijke wijze dus krachten in zich draagt en deze gericht uit, kan hiermee alle geestelijke gebieden benaderen. Zij kan echter ook deze kracht naar de stof zenden. Hier blijkt zij praktisch identiek te zijn met zenuwkracht en daardoor zeer sterke reacties en acties binnen het menselijk lichaam mogelijk te maken. Dit betekent gelijktijdig een versterking van elke gerichte gedachte. D.w.z. de stoffelijke gedachte, op een bepaald voorwerp gericht, kan door de intensiteit van geestelijke krachten zo sterk en ver doordringen, wat anders niet mogelijk zou zijn. Zo krijgen wij uit het wezen van de gedachte, als een realisatie van de buitenwereld een - als resultaat van deze realisatie ook - handelen in de buitenwereld, het volgende als kracht der krachten: a) Het vermogen tot overlegd handelen, waarbij dus reeksen van reacties in een van te voren bewust vastgesteld patroon elkaar opvolgen. b) Het door intens denken, oplossen van problemen in de buitenwereld en die oplossing ver- werkelijken. c) Het door het sterk richten van de stoffelijke gedachten (be)ïnvloeden van andere stoffelijke denkvermogens van ongeveer gelijke struktuur en bouw. d) Het realiseren van behoeften en weergeven daarvan in het geestelijk denken, daardoor een geestelijke reactie, die niet aan tijd of ruimte gebonden behoeft te zijn. e) Het gebruiken van de wil in stoffelijk bewustzijn om zowel eigen lichamelijke, als geeste- lijke kracht te mobiliseren en deze, hetzij via de gebieden van de geest, hetzij via astrale en mentale gebieden, hetzij direkt zuiver stoffelijk, te dirigeren naar de plaats, waar men wenst dat zij werkzaam wordt. Naarmate het voorstellingsvermogen groter is zal hierbij de intensiteit van werkzaamheid ook vergroot worden. Samenvattende, het denken omvat de hantering van levenskrachten, zowel als alle invloeden, die uit het leven tot het "Ik" kunnen komen. Het heeft als kracht in zich de mogelijkheid om door omzetting van eigen persoonlijke vermogens op bepaalde gebieden anderen te beïnvloeden, te helpen of te hinderen, zelfs via het geestelijke gebied op afstand, en hiermee in anderen - geestelijk of lichamelijk - zo nodig veranderingen tot stand te brengen. Dit laatste geldt alleen, indien de kracht van degene die zendt groter is, dan van degene, die ontvangt. Vraag: Positief en negatief denken? Antwoord: Positief en negatief zijn voorstellingen, die de mens heeft, waar zijn leven, belang- stelling en wereld eenzijdig gericht zijn. Elk positief denken is een bevorderen van de wordings- gang, volgens zijn bewustzijn, gelijktijdig een bevestiging van al dat, wat volgens zijn bewustzijn wensenswaard is. Negatief denken is elke ontkenning hiervan. In de praktijk zal negatief heel vaak bruikbaar zijn, ook voor de mens ten goede, daar men hierdoor krachten kan negeren - dus voor zichzelf niet werkzaam maken, - die anders ongewenste reacties binnen het "Ik" zouden werkzaam maken, Vraag: Waar zetelt het herinneringsvermogen? Antwoord: Het herinneringsvermogen, zoals u dat kent, ligt voor het grootste gedeelte in het zuiver stoffelijk denkvermogen, dus in de hersenen. Wanneer op een gegeven ogenblik de zenuwkracht bij een bepaalde persoon beneden een kritiek punt komt, dan zal deze niet voldoende zijn om nog kenbare reacties uit die cellen te krijgen, die in zich een verbleekte, vervaagde, of slechts zwakke indruk krijgen. Zo zal men dus deze herinneringsbeelden naar voren kunnen brengen. Hierbij mag worden opgemerkt, dat in een dergelijke toestand tevens de indrukken van het heden zwakkere indrukken nalaten dan gebruikelijk is, zodat een vergeten van wat men pas heeft gedaan, of op zich heeft genomen, heel vaak voorkomt. In de praktijk kan, © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 6 door het opvoeren van de gezondheid of de vitaliteit van het lichaam, een dergelijke vergeet- achtigheid worden opgeheven. Wat betreft vergeetachtigheid, zuiver geestelijk gezien: dit kan alleen voorkomen, wanneer een strijd bestaat tussen stoffelijke wil en geestelijk verlangen, dan wel voor de geest een onbelangrijkheid bestaat t.o.v. wat het lichaam op dat ogenblik belangrijk acht. Vraag: Wanneer je iets niet terug kan vinden en ineens gaat je een licht op? Antwoord: Dat je bv. een woord vergeet, dat kan ook weer voortkomen uit een zekere vaagheid en ook vaak in een tè grote spanning. U moet onthouden, dat wij het best de werking van het brein kunnen vergelijken met de werking van een electronische machine, opgebouwd uit kristallen, plus verschillende doorlaatmogelijkheden. In dergelijke gevallen kan een te hoge spanning kortsluiting teweeg brengen. Tè intens denken betekent vaak, dat een brug wordt gevormd over een ander denkbeeld, waardoor eventueel parallel liggende mogelijkheden niet bewust geheel gerealiseerd kunnen worden. Een tè-kort betekent een vaagheid, waarbij vaak meerdere beelden gedeeltelijk worden gerealiseerd, maar geen van hen volledig. Vraag: Maar het gebeurt vaak, dat men een woord hoort en men zich dan ineens herin- nert, wat men al heel lang vergeten was. Antwoord: Dat is heel begrijpelijk. Dat is associatief denken en berust op het feit, dat een bepaalde geur, een bepaald woord, een bepaalde klank, eens een indruk heeft gemaakt, als deel van een reeks omstandigheden. Een opkomen van dezelfde geur, klank, woord, of prikkel wekt dus de doorlaatbaarheid a.h.w. van de cel, die al geïmpregneerd was hiermee. Gelijktijdig wordt hiermee een al vroeger gemaakt denkspoor gevolgd, een contact tussen verschillende cellen, een kettingreactie a.h.w., waardoor een geheel beeld rijst als resultaat van enkele prikkels. Vraag: Intuïtie? Antwoord: Intuïtie, geachte vriendin, is een woord, dat gebruikt wordt om velerlei lading te dekken. Onder intuïtie wordt verstaan, begrip, bv. van de vrouw, dat zij het beter weet, al weet zij de redenen niet, waarom zij het beter weet. Het wordt gebruikt om een voorgevoelen aan te duiden, dat toevallig gerechtvaardigd wordt, onverschillig of de grondslagen ervoor al of niet redelijk waren. Het wordt verder gebruikt om niet direct bewust herkende gegevens, die toch op beslissingen van invloed zijn, aan te duiden. Bovendien geldt het voor elk contact met minder stoffelijke of geestelijke waarden, dat de handelingen in het heden onmiddellijk beïnvloedt, dan wel bepaalde resultaten plotseling bereikbaar maakt. Het heeft hier wel mee te maken, maar het is een deknaam, die zeker niet gebruikt kan worden als één nauw omsloten begrip. Intuïtie is een verzamelnaam voor vele onbegrepen fenomenen van het menselijk denken. Vraag: Inspiratie? Antwoord: Hieronder wordt verstaan in simpelste vorm het plotseling in een juiste en aanvaardbare volgorde vallen van een reeks aanwezige denkbeelden, in de hoogste vorm een beïnvloeding van buiten de persoonlijkheid, waardoor in de persoonlijkheid reacties worden gewekt, die begeerlijke resultaten met zich brengen. Vraag: Waarom is er zo weinig verschil tussen denken en zien, voor mij tenminste? Antwoord: U bedoelt hiermede een zuiver visueel denken, waarbij alles wordt omgezet in gezichtsindrukken en het eigen denkbeeld zich dus als iets suggestief visueels uitdrukt. Dergelijke gevallen komen voor in de eerste plaats uit het feit, dat de doorsneemens geneigd is zijn visuele prikkels, dus zijn zien, de grootste nadruk te geven bij zijn ervaring van het leven. U zou schrikken, wanneer u wist, hoeveel van uw oordelen, van uw denken, op visuele waarneming berust. In de tweede plaats zal men zich veelal gewennen bepaalde vormen te aanvaarden als associatie met bepaalde denkbeelden. Het denken brengt met zich mee, dat men zichzelf suggereert, dat het zichtbare erbij komt. Wij krijgen dan hele droom- of fantasiebeelden, die het eigen denken weergeven. In veel gevallen is het echter ook mogelijk daardoor vroeger bestaand hebbende situaties tot in het kleinste detail weer op te bouwen. Beschikt men over deze laatste mogelijkheid, dan kan men soms spreken over fotografisch geheugen, omdat dergelijke personen in staat zijn een visuele indruk, vroeger terloops opgedaan, volledig hernieuwd in zich op te bouwen en dan de begeerde details eruit verder na te gaan en voor zich te verwerken. Vraag: Hallucinaties, die zenuwpatiënten hebben, kunnen die in verband staan met het geestelijke denken? © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 7 Antwoord: In sommige gevallen wel. Wanneer u spreekt over zenuwpatiënten, dan spreekt u wederom over een zeer uitgebreide reeks van verschillende begrippen, onder één naam samen gebracht. Zenuwpatiënten zijn mensen, die op enigerlei wijze, zonder een stoffelijke oorzaak meestal, in denken afwijken van het normale. Naarmate er dwangbeelden in optreden, krijgen wij dus bepaalde vormen van neurastenie (overspannenheid; Red.), wij krijgen bepaalde vormen van neurose en psychotische verschijnselen. Nu is de vraag maar, in hoeverre de hallucinatie voortkomt uit de persoon zelf. Is dat het geval, dan zal over het algemeen het onderbewustzijn zich als een visuele ervaring openbaren, omdat de mens noodzakelijkerwijze de daarin heersende spanningen moet afreageren, maar weigert dit bewust te doen. Het resultaat is dan een visuele hallucinatie. Het is ook mogelijk, dat de persoon in kwestie gevoelig is geworden om enigerlei reden, voor invloeden van buitenaf, die niet altijd op zuiver stoffelijk terrein hoeven te liggen. In dergelijke gevallen krijgen wij wederom een realisatie, die zich uit in een beeld, dat zo intens ondergaan wordt, dat het het beeld van de werkelijkheid onderdrukt of overgedrukt a.h.w. Het resultaat is wederom het zien van waanbeelden. Verder kunnen wij dan nog spreken over zuiver stoffelijke oorzaken, die door vergiftigins- verschijnselen ontstaan. Vergiftigingsverschijnselen hier zeer algemeen gezien, dus van het zuiver aanwezig zijn van gifstoffen, tot een zelfvergiftiging van het lichaam door onevenredige afscheidingen. Hierbij kan n.l. het denkvermogen zodanig worden beïnvloed, dat waarnemingen, vertekend door de hersenen, worden opgenomen en weergegeven. Dan bestaat er geen werke- lijkheid, maar is gedurende de aanval alleen de z.g. hallucinatie aanwezig, die in feite een vertekening is van bestaande werkelijke toestanden. Wat de patiënt er over uit, is meestal zijn poging die heersende hallucinatie te verklaren. Als laatste mogelijkheid, een geval van zuivere helderziendheid, onbeheerst, dat bij een bepaald minder prettig gebied, of soms ook prettige gebieden, optreden en de mens de werkelijkheid doen vergeten. Ook dan hebben wij te maken met visuele hallucinatie. Ik meen, dat wij ook zouden kunnen spreken over zenuwzieken, waar bepaalde lichamelijke toestanden veelal in dergelijke gevallen de term "hysterisch" rechtvaardigt. Hysterisch is niet altijd een nadelige uitdrukking, mag ik u daaraan herinneren. Ik zou u thans voorstellen om te pauzeren. Na de pauze wordt de avond voortgezet met een onderwerp naar onze keuze en eventueel nog een onderwerp van uw keuze, indien tijd beschikbaar is. Goedenavond. ESOTERISCHE LERING OVER WIJSHEID EN KRACHT Goedenavond vrienden, Aan het begin van deze tweede helft zou ik weer graag uw aandacht vragen voor een kleine reeks van esoterische lesjes. Ik heb deze, zoals gebruikelijk, verhuld in het gewaad van de dramatiek, hopende, dat zo het aangename en nuttige ook op deze avond gepaard kunnen worden. Er was eens een wijsgeer, die men vroeg: "Wat is het ideale huwelijk?" En hij antwoordde: "Wanneer wijsheid huwt met kracht, en weten met schoonheid. Want indien wijsheid met kracht huwt, zo zal de wijsheid de daadkracht hebben om niet slechts wijs te denken, maar wijs te handelen. En indien schoonheid met daadkracht huwt, dan zal de schoonheid herboren worden, want het schone tracht steeds zichzelf te herscheppen." Daarmee sta ik ineens midden in mijn betoog. Want, hoe kunnen wij, mensen en geesten tot een werkelijkheid komen indien wij wijs zijn, doch zonder kracht, wanneer wij de schoonheid erkennen, maar de daadkracht ontberen om ze te vormen? Dan gaat het ons als de wijze mandarijn Ping Ho. Ping Ho was een zoon uit een oud geslacht en lange jaren had hij de klassieken gestudeerd, toen eindelijk een roep kwam tot hem (een beroep op hem gedaan werd; Red.): "Toon ons de gevolgen van uw wijsheid." Hij zei: "Ziet, heer, dit is het resultaat van mijn denken. Wanneer een ieder de weg volgt, die hem voorbestemd is en wij in staat zijn de voortbestemming te leiden, zo is de perfecte staat geboren". De Zoon des Hemels zei tot hem: "Wijs zijn uw woorden, Ping Ho. Zo stel ik u als gouverneur van een provincie". Maar deze provincie werd niet goed bestuurd. De rovers brandschatten de steden en het platteland was ontoegankelijk. De reiziger moest aan de rovers schatting betalen, wilde hij veilig zijn weg af kunnen leggen. Zo riep hem de keizer wederom en zei: "Ping Ho, hoe komt het, dat uw wijsheid © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 8 niet in staat is deze aardwormen te beheersen?" Ping Ho antwoordde: "Heer, de wijsheid van mijn gedachten reikt slechts in mijn eigen huis." De keizer zei daarop: "Ping Ho. Ik neem u de tekenen van uw rang en werp u uit. Ik verban u buiten de de grenzen van het rijk". Zo ging een wijze, maar arme mens heen en zocht zich een bestaan te gronden in een dorp. Hij zag hoe hatelijk en lelijk het was. Hij dacht: "Hoe schoon zou het zijn, wanneer hier de chrysanthemen zouden bloeien. Hoe schoon zou het zijn indien de huizen waardige poorten zouden dragen en de hutten zouden worden tot paleizen". Terwijl hij dacht, verviel zijn eigen huis. Nu echter was er een boerenmaagd, die, daar zij gebonden was, trachtte zich te bevrijden van een hatelijk huwelijk. En zo wist zij Ping Ho te bewegen haar te kopen van haar vader en haar tot zijn huisvrouw te maken. Zij begon tot Ping Ho te zeggen: "Heer, dit huis is u onwaardig" en zij reinigde het. Toen zei Ping Ho: "Hier moeten chrysanthemen op staan". Zij zei: "Ga en koop er dan." Ping Ho, eerst aarzelend, werd wijs en leerde de striemende tong van zijn vrouw te ontwijken door haar bevelen op te volgen, terwijl ze nog wensen waren. Zo bloeiden de chrysanthemen, zo werd er een poort gebouwd en zo plooide zich rond het binnenhof veel schone paviljoenen. De anderen zeiden: "Ping Ho, hoe hebt gij dit kunnen doen?" Hij zei: "Ziet, mijn vrouw is de kracht, die mij drijft, maar in mij (is) een verlangen naar schoonheid." Zij zeiden: "Wij begeren, wat gij bezit". Toen zei zijn vrouw: "Gij zijt wijs, Ping Ho. Zeg dan: hoe kunnen wij dit begeren ontmaskeren, opdat het niet gevaarlijk wordt voor ons?" Hij zei: "Zij begeren hetzelfde, wat wij bezitten. De enige weg om hun begeren weg te nemen zou zijn het hen te geven." Zijn vrouw dacht na en zei toen: "Ping Ho, gij hebt geleerd, hoe gij met weinig geld het grootse bouwwerk kon stichten. Er zijn velen, die geld bezitten, leer hen, hoe zij zelf hun woningen bouwen." En Ping Ho leerde hen en het dorp werd welvarend. Zo welvarend en zo schoon, dat de Zoon des Hemels horende van deze nieuwe heerlijkheid buiten de grenzen van zijn rijk, hij Ping Ho tot zich riep en hem zei: "Ik benoem u wederom tot goeverneur van de provincie, maar ik stel als eis, dat gij uw vrouw steeds naast u zult zetelen. Want zij is de kracht, die uw wijsheid eerst werkelijk betekenis geeft." Hierin, mijne vrienden, hebt u misschien kunnen ontraadselen, hoe noodzakelijk het is, dat wij een kracht in ons hebben, die tot daden drijft. "De daad", zei eens een wijsgeer, "is niets anders dan de verwerkelijking van de gedachte. De gedachte is vluchtig en vergaat, maar de daad schept de werkelijkheid." Een leerling, die veel van hem had gehoord, zei: "Maar heer, men leert toch, dat de gedachte een kracht is, die nooit verwerkelijkt wordt, maar die ook nooit en te nimmer teloor gaat?" Toen glimlachte de wijze en zei hem: "Zeker, elke gedachte, die niet verwezenlijkt wordt door de schuld van hen, die weigeren haar te verwezenlijken, of nalaten haar te verwezenlijken, is een eeuwige klacht, die hen zal achtervolgen tot het einde van alle tijd, wanneer wij opgaan in het Grote Licht en het Rad verlaten." Zo, vrienden, gaat het met alle wensgedachten, die in u leven. Denk ze en maak ze tot werkelijkheid, of weiger ze nogmaals te denken. Want elke gedachte, die u schept, wordt voor u een kracht, die u voortjaagt, die u door vele levens en werelden achtervolgt, steeds weer eisende: "Ik ben het kind van uw eigen beeld, van uw eigen brein. Maak mij tot realiteit, tot daad." Er is ook een klein sprookje, dat hier misschien nog een nader licht op kan werpen. Eens gingen een demon, een draak en een roverhoofdman samen. De een sprak tot de ander: "Groot is mijn macht." "Mijn macht ligt in de nacht, wanneer de dromen komen en de mens kunnen doden in de angst, die hij ondergaat", zei de demon. "Mijn macht", zei de draak, "ligt in een bliksem, die ik uit de hemel werp en de rivieren, die ik afdam, tot hun watervloed vernietigend neer kan storten en dorpen wegrijt". De roverhoofdman zei: "Mijn macht ligt in het kennen van de mensheid. Want ik weet, dat hun begeerte hen zal drijven, daar zij weten, waar het gevaar wacht. Ik doe niets dan wachten, tot hun begeren hen tot mij voert en dan verwezenlijk ik mijn begeren door hun begeren te ontkennen". Deze drie nu kwamen in grote strijd en gezamenlijk wilden zij opgaan tot de Groot-Machtige Rechter. Zo vonden zij een van de bomen, die een sleutel zijn tot het rijk van de Onderaardsen en komende bij de mierenvorst zeiden zij hem: "Heer, dit is ons probleem. Machtig zijn wij allen. Wie van ons is de machtigste?" De mierenvorst glimlachte en zei tot de demon: "Uw macht is beperkt, want gij kunt slechts vernietigen, wat u vreest. Maar wat gij niet vreest, kunt u niet aantasten." Tot de draak zei hij: "Gij kunt tijdelijk de dingen vernietigen, maar eeuwige waarden laat gij onaangetast. Waar blijft dan uw macht?" Tot de roverhoofdman echter zei hij: "Gij, grootmeester van het begeren, gij, die het begeren van anderen weet te misvormen, gij zijt de grootste demon © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 9 van deze drie. Uw kracht is groot tot de mens zichze lf leert zichzelf te beteugelen, dan zal zij kleiner zijn dan ieder andere." Deze drie gingen toornig heen en vernietigden het mierenrijk, maar nooit hebben zij vergeten, dat hun macht beperkt was. Wat later kwamen een drietal leerlingen van een grote wijsgeer bij diezelfde boom en zij zagen, hoe de overlevende mieren zwoegden om hun rijk weer in stand te brengen. En kennende als de anderen het geheim van de kleinheid, traden zij binnen door de poort en zeiden: "Wij willen voor de mierenkoning gebracht worden." Deze ontving hen: "Wat wenst gij van mij?" De eerste nu sprak: "Heer, zeg mij, hoe kan ik macht verwerven?" "Macht kunt gij verwerven door zozeer uzelf te zijn, dat gij anderen verloochent". De tweede sprak: "Leer mij hoe wijsheid te verwerven." "Door niet te denken, maar door te ervaren. En het ervaren tot handelen te maken." De derde sprak. "Heer, hoe kan ik mij bevrijden van het Rad des Levens?" Het antwoord was: "Wees één met alle dingen, met al wat lijdt, met al wat leeft, met al wat vreugde heeft, en ge zult uzelf niet meer zijn. Wanneer gij uzelf zijt, zult gij niet meer gebonden zijn aan het lot, dat gij voor uzelf geschapen hebt". Dit kwam nu ter ore van een wijze mandarijn, die langs deze zelfde weg zijn tocht vervolgde om belastingen te innen. Ook hij liet zich verleiden af te stappen en wachtte aan de poort om de mierenkoning tot hem te zenden, of hem in te leiden in het rijk, want hij kon zelf niet ingaan. De mierenvorst zei hem: "Indien uw wens voldoende is en uw begeren groot genoeg, zo zult gij tot mij komen in mijn troonzaal, maar hoe kan ik u zeggen als mier, tegenover mens, wat gij wenst te weten." Toen werd de woede groot in de wijsgeer. Hij dacht aan zijn waardigheid en al, wat men verloochend had. Daarna werd zijn begeren heet, als de wind op een zomermiddag. Toen verschroeide het hem als de zon in de periode van droogte en in deze hitte van begeren, verschrompelde hij en trad binnen. "Ziet nu", zei de koning, "gij zijt gekomen, wat is uw vraag?" "Gij hebt drie demonen, drie bozen, uw oordeel gegeven en zei tot hen, dat zij niet machtig zijn. Gij hebt drie leerlingen van een wijsgeer gezegd, hoe zij het bereiken konden, wat zij wilden. Nu vraag ik u, hoe hebt gij deze kracht, hoe weet gij, wat de bozen zijn en kunnen, hoe weet gij, wat de goeden kunnen bereiken en hoe… "De mierenvorst zei: "Indien uw begeren u in mijn rijk kan binnenvoeren en gelijke tegenover mij kan stellen als gelijke, hoe kan ik dan, die tracht één te zijn met de natuur, anders dan als gelijke staan tegenover al, wat binnentreedt in mijn rijk? Ik beoordeel alles volgens de wetten van mijn rijk. De wetten van mijn rijk zijn de wetten van mijn wereld. Wie in mijn rijk treedt, erkent deze wetten, is eraan onderworpen en zo kan ik oordelen naar recht en rechtvaardigheid, sprekende de waarheid, zonder ooit onder te gaan in de waan van hen, die slechts ijdele woorden spreken." Dit had voor de mandarijn een zeer treurig gevolg. Want denkende over de wijsheid van deze dingen, vergat hij de penningen te innen, die de keizer eiste van de armen van het land. Zo vergat de keizer niet hem datgene te ontnemen, wat hij zo hoog had gedragen: zijn hoofd. Toen zijn geest bevrijd opsteeg, zonder offers, zonder reukoffers, zonder brandoffers, toen zijn lichaam werd begraven in de akker, zonder grote kist, toen lachte de geest van de mandarijn en hij zei: "Hoe dwaas is deze keizer. Want ik ben één met hem. Was ik niet even trots als hij? Maar ik ben ook één met de wind: verlang ik niet de wereld te omgaan, zoals hij? Ik ben één met de aarde, want ik verlang vrucht te dragen, zoals zij?" Daarom leefde hij beter en schoner dan iemand kon dromen, omdat hij begrepen had, dat eenheid noodzakelijk het gevolg is van een aanvaarding van de eigen toestand in de juiste zin. Ik hoop, dat ik u dit duidelijk heb gemaakt. Er zijn veel wegen van denken; er zijn zeer veel wegen van overpeinzing. Ongetwijfeld is uw wijsheid groot en uw ouderdom zo uit ontelbare jaren gebouwd, dat ik haar niet kan overzien. Toch verstout ik mij u te zeggen: leef in uw eigen wereld, wees één met uw eigen wereld en leer steeds één te zijn met alle wereld, waarin u leeft; dan zult u de waarheid kennen. Indien u begeert een andere wereld te betreden, bedenk, zo u tot haar ingaat, bent u één met haar. Zo u haar verlaat, blijft zij u slechts als een herinnering, die in uw leven geen betekenis heeft. Slechts, wat in u leeft van haar, is werkelijkheid. Nu heb ik u enkele verhalen verteld. Ik geloof, dat de betekenis wel duidelijk is geworden. Mijn bedoeling voor deze avond was u te zeggen: Oordeel niet naar wat u denkt te zijn, noch oordeel naar wat anderen u noemen. Maar wees uzelf, één met uw wereld en zoek in deze eenheid door de begeerte naar Hoger Kracht die in u leeft, te bereiken de wijsheid van hoger sferen, opdat zij u in dit leven voeren en bevrijden van de banden, die anderen in dit leven nog op zich nemen. Daarmee, vrienden, geef ik het woord over aan de volgende spreker, die voor u nog een kort onderwerp zal behandelen naar uw eigen keuze. Ik dank u zeer voor de welwillendheid, waarmee © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 10 u mijn onbetekenende woorden hebt willen accepteren. Ik verstout mij u een goede avond te wensen. DE GRIEKSE MYSTERIËN Goedenavond vrienden, Wij hebben nog de gelegenheid een kort onderwerp naar eigen keuze te behandelen. Welk onderwerp? Reactie: De Griekse mysteriën. Onder Griekse mysteriën worden verschillende reeksen van geheimscholen verstaan, gelijktijdig ook echter enkele inwijdingsriten in de tempels. Die inwijdingen in de tempels zijn op zichzelf tamelijk onbelangrijk. Het gaat bij de mysteriën hoofdzakelijk om de achtergrond en de ge- dachtegang, die voerden tot een geheimschool en de beproevingen, die in een dergelijke geheimschool worden opgelegd, de zogenaamde inwijding. De uitbeelding van deze inwijding gebeurde echter in schouwspelen. Men kan dus zeggen, dat een groot gedeelte van de inwijding bestond in het aanschouwen van bepaalde opvoeringen, bepaalde toneelstukjes a.h.w., die dan voor de ingewijden een zekere betekenis hadden. Was hij in staat dat te begrijpen, dan mocht hij daaraan zelf deelnemen en was zo in graad, in belangrijkheid verhoogd. Nu moeten wij dat heel nuchter zien, vanuit het standpunt van uw eigen tijd. De Griek op zichzelf was aan de ene kant bijgelovig, aan de andere kant iemand, die de spot dreef met de Goden, waaraan hij, ondanks alles, niet na kon laten grote betekenis te geven. De inwijding lag op verschillend vlak. In de eerste plaats hadden wij de inwijding van de z.g. openbaringsscholen, die kenbaar zijn aan de tempels, waar een Pythia of een sprekend beeld, in sommige gevallen ook een priester of een ander orakel, uitspraken doet. Hiervan waren er vele en die betekenis van die scholen is ongeveer gelijk. Het beheersen van de wereld, is gelijk aan het beheersen van jezelf, leerden zij. Het beheersen van de geest is gelijk aan het kennen van de geest. Het beheersen van de geest en jezelf echter wordt geboren uit een begrip van eenheid tussen jezelf en een Hogere Kracht. Om dit duidelijk te maken, moest elke novice, elke nieuweling, eerst een reeks van leringen aanhoren. Die werden in het begin gegeven als een soort klassen, gepaard gaande met meditatie-oefeningen vaak, en daarna kwam de eerste proef. Deze eerste proef deed niets zien. Een van de meest befaamde voorbeelden plaatst de mens in het duister. Hij is volledig in het duister in een grot, of kelder, en hij hoort daar geruis en geluid. Elke keer sterft dat af. Hij is helemaal alleen. Hij moet in deze eenzaamheid afstand doen van de hele wereld. Hij moet mediteren over de dood. Dit sterven, symbolisch als het is, moet aantonen, hoezeer de leer van de geheimschool aan be betekenis heeft gewonnen. Want deze mens is bereid voor de wereld te sterven, om daardoor de nieuwe waarheid en de nieuwe gemeenschap te kunnen aanvaarden, die binnen de geheimscholen bestaan. Hij ontwaakt dan over het algemeen uit zijn overpeinzingen, wanneer een licht zichtbaar wordt. Nu wijkt hier het gebruik van verschillende profetische scholen, deze op orakels gebaseerde scholen wel eens af. Een van de meest gebruikelijke echter was het plotseling komen van licht, zonder kenbare bron. Men deed dit heel vaak door fakkels in een verborgen hoek aan te steken, of ook wel door een hoop rijshout of iets dergelijks, in brand te steken. De Perzen hadden ook wel zoiets, daar hadden zij vaak aardpek, dat in brand werd gestoken. Nu moet degene, die inwijding zoekt, blindelings a.h.w. door de rook en gloed heen, zijn weg zoeken naar een uitgang. Hij vindt die, en zonder dat hem werkelijk iets kan overkomen, waarop hij plotseling wordt vastgenomen, door onzichtbare handen. Gelijktijdig valt er een kap over zijn hoofd en wanneer hij dan weer een klein beetje bij is gekomen, ontdekt hij, dat hij in een ruimte staat, waar veel mensen aanwezig zijn. Circa 40 tot 60 personen. Dezen zijn allemaal stil en roerloos. Nu klinkt er een stem. Deze stem pretendeert die van een God te zijn. Zij zegt: "Waarom kom je?" Hij zegt: "Ik zoek de waarheid." "Waarom kom je?" "Ik zoek het Licht." "Waarom kom je?" "Omdat ik een kind van de werkelijkheid ben." Ik vertaal dit nu maar grof, want die dingen verschillen nogal eens wat van de een naar de ander. Heeft hij dat gezegd, dan wordt hem de blinddoek afgenomen en dan staat hij tegenover een priester met een paar mensen om hem heen. Aan de andere kant ziet hij allemaal leerlingen zitten, maar hij mag er niet naar kijken. Er wordt hem gezegd: "Kom naderbij." Gelijk als hij © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 11 naderb ij komt, valt het laatste kleed van hem af. Want hij moet geheel nieuw herboren worden in deze gemeenschap en daarom moet hij eigenlijk zo in die gemeenschap opgenomen worden, als hij door moeder op de wereld wordt gebracht... Heeft hij dat gedaan, dan krijgt hij een eed af te leggen. Bij deze eed schrijft hij zijn leven a.h.w. toe aan de gemeenschap, geeft toe, dat als hij ooit zou zondigen tegen de gemeenschap, hij zou sterven, enz. enz. Daarna wordt hij bekleed en krijgt een ordekleed aan; dat was meestal een soor witte toga, die hem werd overgegooid en krijgt hij de gelegenheid zich nu terug te trekken en te verfrissen. Daarnaast krijgt hij een paar studies te maken. Hij wordt o.a. ingelicht over wat er al zo gebeurt in het genootschap, hij leert bepaalde kentekenen, hij leert ook grondstellingen. Is hij zover gekomen, dat hij dat weet, dan brengen zij hem weer binnen en wel in de tempel, waar het orakel plaats vindt. Hij staat voor het orakel en mag een uitspraak vragen. Dan zou hij weg kunnen gaan, maar dat mag hij nu juist niet doen. Ofschoon alles vrij is, moet hij blijven en hij moet de uitspraak steeds weer voorleggen aan het orakel. Waarom? Omdat dit niet de waarheid is. Dat is natuurlijk voor een Griek, die aan orakels gelooft, erg moeilijk. Maar toch moet hij dat doen. Wanneer de derde keer, wanneer hij tegen het beeld heeft gezegd, dat het geen waarheid is, dan ziet hij plotseling verschillende mensen op zich toe komen. Zij dreigen hem met wapens. Zij betekenen a.h.w. de demonen, die hem in de waan gevangen willen houden. Daarna komen enkele priesteressen aandansen, een kring rond hem vormend. Nu wordt hij gedwongen om terug te gaan, maar op een bepaald punt moet hij blijven staan. Dat is hem van tevoren gezegd. Blijft hij daar voldoende staan, dan staat hij in het midden van een symbolische kring, waarin een vlak met enkele tekeningen, speciaal voor die gelegenheid neergelegd. Nu moet hij blijven staan, ook al zou het scherp van een zwaard hem blijven beroeren. Dus hij mag de dood niet vrezen. En wanneer nu het woord van het orakel klinkt: "Ik ben waarheid." dan moet hij voorwaarts gaan en achter - hetzij driepoot, hetzij beeld - verdwijnen. Hij komt dan in een soort heilige der heiligen en daar ziet hij de ware voorstelling van de God. Heeft hij dit ervaren, dan krijgt hij daar weer een reeks leringen over en lessen. Wanneer hij dat ook goed kent, dan mag hij deelnemen aan een zeer eigenaardig spel. Je zou kunnen zeggen: een soort combinatie van aanbidding, allegorie, enz. Hierin wordt door verschillende ingewijden van de geheimschool voorgesteld dat zij onmiddellijk in verband staan met de Goddelijke Kracht. Eén van hen treedt over het algemeen op als wijsgeer, als licht, of oppermagiër. Anderen brengen hem bepaalde gaven, bewijzen hem bepaalde diensten. Daarop worden drie vragen gesteld. Kan de novice de drie vragen beant- woorden, dan trekt hij zich terug, maar hij kan, meestal enkele dagen erna, deelnemen aan een dergelijk spel, waarop hij eerst dienaar is en dan zelf behoort tot de hofhouding, die zich laat dienen. Hiermee wordt uitgedrukt, dat de wijze weet gelijktijdig dienaar en leider, gelijktijdig heerser en knecht te zijn. Indien hij ook dit bereikt heeft, dan wordt hem de bibliotheek ter beschikking gesteld en heel vaak wordt hem ook, onder hypnose, een reeks van belevingen gegeven. Een andere school echter is de school, die wij de School van de Rede zouden kunnen noemen. Het doet een beetje theatraal aan, indien wij dit zo horen, met al die toneelvoorstellingen. De mysteriën van die school zijn veel abstracter. In de eerste plaats wordt hier, vooral filosofisch, betoogd. Dus men heeft een filosofische ondergrond nodig, wil men eenmaal toegelaten kunnen worden tot het genootschap. In tegenstelling met de eerste soort, waar je aan kunt vragen, hier wachten, tot je uitgenodigd wordt. Dat houdt in, dat je je belangstelling kenbaar moet maken ervoor en dan maar afwachten. Ook hier weer het binnenleiden, ook hier weer de eenzaamheid en de meditatie. Echter niet de onthulling door licht. Wel vaak het binnenleiden van de novice in een feestzaal, waar hij noch mag eten, noch mag drinken, noch zijn ogen te gast laten geven aan de aanwezige schoonheden. Hij moet daar wachten, totdat hij afgehaald wordt. Want hij (heeft) immers de wereld verzaakt om de school aan te hangen. Hij slaagt in deze proef en wordt dan binnen gebracht, waar hij - nu niet in een gemeenschap, maar voor enkelen, t.o.v. de grote Onbekende, heel vaak ook de term gebruikt "de Onbekende, die in u woont" - een soort eed aflegt. Deze eed houdt in, dat hij vanaf dit ogenblik de waarheid zal zoeken, de waarheid zal dienen en de Krachten der Eeuwigheid in zich zal verwerkelijken. Van daaruit wordt hij verder geleid en hij komt dan bij een bekende kamer met poort, waarop staat: "Ken u Zelven". Hier wordt hij alleen gelaten en zal nu weer mediteren. Maar nu staat er wat wijn met water verdund en wat brood en hier mag hij dan van genieten. Heeft hij hier gerust en gemediteerd, dan wordt hij in de gemeenschap binnen geleid en dan zien wij ongeveer hetzelfde als in de andere school. Hier werpt men zich de oude kleding van zich af en men wordt aanvaard door een zeker ritueel. © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 12 Het opvallende is echter, dat in het eerste geval de tempel zelf e en grote rol speelde. In het tweede geval helemaal niet. Hier brengt het mysterie met zich mee, dat de school zelf het kenteken is, uit mensen opgebouwd, van een ongekende kracht, die zich eens door die mensen zal openbaren. Zo is hier de gemeenschap belangrijk en draagt deze gemeenschap veelal allerhand symbolen. Symbolen van de slang bv., enkele meetkundige symbolen soms, daarnaast ook weer het alziend oog en een bepaalde uitdrukking van het Panta Rhei (alles stroomt; Red.), het eeuwig vloeiende, waarin de tijd als onbelangrijke waarde wordt gesteld. Heeft iemand dit aanvaardt, dan krijgt hij een scholing in het begin van concrete wetenschappen. Dus in deze school wordt men eerst tot denker opgeleid, terwijl men daarnaast een beroep kiest. Dan kan geneesheer zijn, het kan bouwmeester zijn, het kan ook zijn beeldhouwer, kunstenaar dus. Heeft men aan die eisen voldaan, dan wordt men toegelaten tot de tweede klas, waarin men dan kan debatteren, in de eerste klas kon men dat niet, daar kon men alleen maar leren. De overgang wordt hier door een werkstuk voorgesteld. D.w.z. ben je bv. kunstenaar, dan krijg je een opdracht een bepaald kunstwerk te maken. Je moet dan dat kunstwerk verklaren, dat kunstwerk aanbieden aan de gemeenschap. Daarbij had men wel eens de gewoonte, indrukwekkend in een vaag verlichte ruimte, een nis te nemen, die zijdelings door lampen sterk verlicht werd. In die nis werd het kunststuk geplaatst… (Hier was een stukje door de band niet opgenomen) … aan de onschendbaarheid van de persoonlijke vrijheid. Onverschillig of hij nu in een Spartaanse samenleving, of Atheense samenleving groot was geworden, hij geloofde in zijn rechten. Die rechten werden dan wel het sterkst uitgedrukt in zijn eigen methode van denken, in zijn regering. Daardoor moest hij tot een zuiver persoonlijke benadering komen met het Goddelijke. Iets anders was niet mogelijk. Binnen de groep was hij dan ook volkomen gelijkberechtigd. Maar hij had vrijwillig zijn toelating (toegestaan?) dus, dat anderen op bepaald geestelijk terrein gezag over hem uitoefenden. Er zijn ook wel andere inwijdingen geweest, waarbij soms zeer gevaarlijke proeven moesten worden afgelegd, maar deze waren eigenlijk zo belangrijk niet. Al deze geheime scholen en genootschappen hadden er aardigheid in om symbolische spelen op te voeren. Die werden heel vaak openbaar in het publiek gebracht. Zij gaven dan de wisselwerking weer tussen Goden en mensen, tussen geestelijke en stoffelijke waarden. Zij leerden de mensen, hoe de krachten, die in hen besloten waren, hen konden achtervolgen en doden. Op deze wijze werden dan de Goden symbool van eigenschappen, die de mensen in zich droegen en het geheel werd overkoepeld door het besef van samenhorigheid tussen de mensen, waarbij zij gezamenlijk iets tot stand kunnen brengen, maar niemand voor zich. Misschien kunnen wij er mogelijkerwijze nog eens een keer over verder gaan, als het u interesseert, maar kan het er zo mee door, voor vandaag? Vraag: Dus ook hier de symbolen van wijn en brood? Antwoord: Brood is het lichaam van de aarde, het symbool van de vruchtbaarheid. Graan. Wijn is het bloed van de aarde. U zou kunnen zeggen, het vrouwelijke en mannelijk principe, uitgedrukt in de vruchten van de aarde. Wanneer deze beide tot eenheid worden gebracht, dan krijgt men de perfecte hermafrodiet, die de weerspiegeling is van het Goddelijke in de Schepping. Dat vinden wij overal weer terug. Dan ga ik het woord overgeven aan de laatste spreker. Goedenavond. HET SCHONE WOORD OMHOOG De blikken zijn omhoog gericht. Ik streef naar ander leven en zou, ach, vond ik het geheim, mijn hele leven geven, alleen voor Licht. Ik zoek inwijding, bewustzijn, grotere kracht. 'k zou wonderen willen volbrengen, ik zou aan de grote wonderlijke Macht mijn offers willen plengen © Orde der Verdraagzamen Stem van Gene Zijde (III) 13 en zo verdrijven duis'tre nacht. Ik zou willen leven, maar ik ken het leven niet. De onschuld heeft mij nog verborgen de werkelijkheid van 't bestaan, De strijd, de vreugde, de zorgen, die met het leven samengaan. En toch, ik wil weten, 'k wil bereiken. Ik zoek naar groter Werkelijkheid. Ik zoek naar Licht, naar Licht, naar leven, dat mij tot Hoger Leven leidt. Zo wil ik heel mijn wezen geven in overgave, zonder grens. Ik wil slechts zijn Kracht van het Goddelijk Leven, niet meer geest en niet meer mens. Ik wil de Werkelijkheid beleven. En ziet, nu wordt mij Licht gegeven, waar ik eerst mijzelf bedroog, voert nu het Licht uit Hoogste Sfeer ook mijn ziel tot omhoog. Dat is de werkelijkheid. Leven, zoeken, werken, en dan het ogenblik, dat je God kunt aanvaarden, dat al het andere onwaardig en waardeloos schijnt. Dat is dan de kracht, die je omhoog stuwt tot hoger leven en nieuw bestaan. De kracht, die de mens op aarde omschrijft met Licht. Hebben wij dat Licht eenmaal in ons, dan kunnen wij het aanvaarden, dan is heel ons verder bestaan een voortdurend Excelsior (v.e. hogere orde; Red.), een voortdurend stijgen tot nieuwe kracht, tot nieuw weten, tot alle dingen ook in ons eens vervuld zijn. Daarmee vrienden, dank ik u voor uw aandacht, wens ik u allen verder een aangename avond, prettige huisgang en een gezegende nachtrust. Goedenavond.